Add parallel Print Page Options

Sprinkhanen over het land

Joël, de zoon van Pethuël, ontving deze boodschap van de Here: Luister, leiders van mijn volk! Ja, laat iedereen luisteren! Hebt u ooit in uw leven of voor zover u zich uit de geschiedenis kunt herinneren, gehoord van wat Ik u nu ga vertellen? Vertel het in de toekomst aan uw kinderen. Geef dit vreselijke verhaal door van generatie op generatie.

Nadat de knaagsprinkhanen uw gewassen hebben opgegeten, zullen de gewone sprinkhanen komen om de rest kaal te vreten. En na hen zullen de roofsprinkhanen komen! En daarna ook nog de veldsprinkhanen!

Word wakker, dronkaards, want alle druiven zijn opgevreten en uw wijn is van u weggenomen. Een reusachtige zwerm sprinkhanen is neergestreken op het land. Het is een machtig, ontelbaar leger, met tanden zo scherp als die van een leeuw. Het heeft mijn wijnstok vernield en de schors van mijn vijgenboom afgestroopt. Alleen de stam en zijn naakte, witte ranken zijn nog over.

Huil bittere tranen en trek rouwkleren aan als een bruid bij de dood van haar bruidegom. Wég zijn alle graanoffers en sprenkeloffers die voor de tempel van de Here waren bestemd. De priesters komen om van de honger. Luister maar naar het hulpgeroep van deze dienaren van de Here. 10 De velden zijn verwoest. De aarde treurt, want al het koren is verdwenen, de jonge wijn opgedroogd en de voorraad olijfolie sterk geslonken. 11 Die het land bewerken, mogen zich inderdaad verslagen voelen. Want de tarwe en de gerst, ja, de hele oogst is verloren gegaan. De wijnbouwers mogen gerust hun tranen laten vloeien. 12 De wijnstokken zijn verdord, de vijgebomen stervend. De granaatappelbomen en palmen verdrogen en de appels verschrompelen aan de boom. Alle vreugde is met hen verdord.

13 Priesters, trek uw rouwkleding aan. Dienaren van mijn God, ga de hele nacht huilend voor het altaar op de grond liggen. Want er zijn geen graanoffers en geen sprenkeloffers meer voor u overgebleven. 14 Roep een heilige vastentijd uit. Houd een plechtige bijeenkomst. Verzamel de leiders en de hele bevolking in de tempel van de Here, uw God, en roep Hem aan.

15 Pas op, die vreselijke dag van de Here komt dichterbij. De Almachtige stuurt bijna zijn verwoesting. 16 Ons voedsel zal voor onze ogen verdwijnen. Alle vertoon van blijdschap en vreugde in de tempel van God zal tot het verleden behoren. 17 Het zaad ligt in de grond te verschrompelen, de voorraadschuren en graanopslagplaatsen zijn leeg en het koren op het veld is verdroogd. 18 Hoor het vee eens jammeren van de honger! Kudden runderen dwalen rond, maar vinden nergens een weide. Zelfs de schapen hebben zwaar te lijden. 19 Here, help ons! Door de verzengende hitte zijn alle weiden vergeeld en alle bomen verschroeid. 20 Zelfs de wilde dieren roepen tot U om hulp, want de beken liggen droog en alle weiden zijn verbrand.

Inleiding

Dit is wat de Heer zei tegen de profeet Joël, de zoon van Petuël.

Een sprinkhanenplaag en grote droogte als straf van God

Luister, leiders van het volk! Luister goed, bewoners van het land! Luister naar wat Ik nu ga zeggen. Is dit ooit eerder gebeurd in de geschiedenis van dit land? Vertel het aan je kinderen. En laten zij het weer aan hún kinderen vertellen, en ook zij weer aan hún kinderen. De sprinkhanen eten alles op: wat de knager overlaat, eet de sprinkhaan op. Wat de sprinkhaan overlaat, wordt opgevreten door de verslinder. En wat de verslinder overlaat, eet de kaalvreter op.[a]

Dronkenlappen, word wakker! Huil en klaag, zuipers, want jullie zullen geen nieuwe wijn hebben! Want een groot volk valt dit land aan. Een machtig, ontelbaar leger. Als een leeuw verslindt het alles met zijn tanden. Israël, mijn wijnstruik, wordt helemaal verwoest. Mijn vijgenboom Israël ziet wit als schuim. Het leger schilt mijn vijgenboom helemaal kaal en werpt hem weg. De takken zijn kaal en wit geworden. Huil, zoals een meisje huilt omdat de man met wie ze zou trouwen is gedood. Er kunnen geen meel-offers en wijn-offers meer worden gebracht in de tempel van de Heer. De priesters, de dienaren van de Heer, zijn diepbedroefd. 10 De akkers zijn kaal, het land treurt. Want het graan is vernietigd, de druiven zijn verdroogd, de olijven hebben geen olie. 11 De boeren en wijnboeren zijn wanhopig. Ze jammeren over het graan en de druiven. Want de hele oogst is vernield. 12 De wijnstruiken zijn verdroogd en de vijgenbomen hangen slap van droogte. De granaatappelbomen, de palmen, de appelbomen, alle bomen zijn verdroogd. Alle vreugde is verdwenen.

13 Priesters, doe rouwkleren aan en huil. Jammer het uit, jullie die bij het altaar dienen. Slaap in rouwkleren, dienaren van mijn God, want er kunnen geen meel-offers en wijn-offers meer worden gebracht in de tempel van jullie God. 14 Roep het volk op om niet meer te eten, om God te laten zien dat ze spijt hebben van hun ongehoorzaamheid aan Hem. Roep een vergadering bij elkaar, leiders van het volk! Kom allemaal naar de tempel van jullie Heer God. Roep het uit tot de Heer!

15 Wat een verschrikkelijke dag komt eraan! Het is de dag van Gods straf. Op die dag verwoest de Almachtige God alles. 16 Alles wat eetbaar is, verdween voor onze ogen. De vreugde is uit de tempel van onze God verdwenen. 17 Het zaad ligt verdroogd in de aarde. De voorraadschuren zijn leeg. De bakken voor het graan zijn kapot, want er is geen graan. 18 Hoor hoe het vee kreunt van de honger! De koeien zijn verzwakt doordat er geen gras is. Ook de schapen sterven van de honger.

19 Ik roep het uit tot U, Heer. Want vuur heeft de graslanden verbrand en de bomen verschroeid. 20 Zelfs de wilde dieren smeken tot U, want de beken zijn opgedroogd en de steppen zijn door het vuur verbrand.

Footnotes

  1. Joël 1:4 Dit zijn allemaal verschillende woorden voor sprinkhanen. Een zwerm sprinkhanen kan wel een gebied van 700 vierkante kilometer totaal bedekken. Als ze komen aanvliegen, verduisteren ze de zon. Ze vreten werkelijk alles op, zelfs de schors van de bomen. Na een sprinkhanenplaag is een land verwoest.

The word of the Lord that came(A) to Joel(B) son of Pethuel.

An Invasion of Locusts

Hear this,(C) you elders;(D)
    listen, all who live in the land.(E)
Has anything like this ever happened in your days
    or in the days of your ancestors?(F)
Tell it to your children,(G)
    and let your children tell it to their children,
    and their children to the next generation.(H)
What the locust(I) swarm has left
    the great locusts have eaten;
what the great locusts have left
    the young locusts have eaten;
what the young locusts have left(J)
    other locusts[a] have eaten.(K)

Wake up, you drunkards, and weep!
    Wail, all you drinkers of wine;(L)
wail because of the new wine,
    for it has been snatched(M) from your lips.
A nation has invaded my land,
    a mighty army without number;(N)
it has the teeth(O) of a lion,
    the fangs of a lioness.
It has laid waste(P) my vines
    and ruined my fig trees.(Q)
It has stripped off their bark
    and thrown it away,
    leaving their branches white.

Mourn like a virgin in sackcloth(R)
    grieving for the betrothed of her youth.
Grain offerings and drink offerings(S)
    are cut off from the house of the Lord.
The priests are in mourning,(T)
    those who minister before the Lord.
10 The fields are ruined,
    the ground is dried up;(U)
the grain is destroyed,
    the new wine(V) is dried up,
    the olive oil fails.(W)

11 Despair, you farmers,(X)
    wail, you vine growers;
grieve for the wheat and the barley,(Y)
    because the harvest of the field is destroyed.(Z)
12 The vine is dried up
    and the fig tree is withered;(AA)
the pomegranate,(AB) the palm and the apple[b] tree—
    all the trees of the field—are dried up.(AC)
Surely the people’s joy
    is withered away.

A Call to Lamentation

13 Put on sackcloth,(AD) you priests, and mourn;
    wail, you who minister(AE) before the altar.
Come, spend the night in sackcloth,
    you who minister before my God;
for the grain offerings and drink offerings(AF)
    are withheld from the house of your God.
14 Declare a holy fast;(AG)
    call a sacred assembly.
Summon the elders
    and all who live in the land(AH)
to the house of the Lord your God,
    and cry out(AI) to the Lord.(AJ)

15 Alas for that(AK) day!
    For the day of the Lord(AL) is near;
    it will come like destruction from the Almighty.[c](AM)

16 Has not the food been cut off(AN)
    before our very eyes—
joy and gladness(AO)
    from the house of our God?(AP)
17 The seeds are shriveled
    beneath the clods.[d](AQ)
The storehouses are in ruins,
    the granaries have been broken down,
    for the grain has dried up.
18 How the cattle moan!
    The herds mill about
because they have no pasture;(AR)
    even the flocks of sheep are suffering.(AS)

19 To you, Lord, I call,(AT)
    for fire(AU) has devoured the pastures(AV) in the wilderness
    and flames have burned up all the trees of the field.
20 Even the wild animals pant for you;(AW)
    the streams of water have dried up(AX)
    and fire has devoured the pastures(AY) in the wilderness.

Footnotes

  1. Joel 1:4 The precise meaning of the four Hebrew words used here for locusts is uncertain.
  2. Joel 1:12 Or possibly apricot
  3. Joel 1:15 Hebrew Shaddai
  4. Joel 1:17 The meaning of the Hebrew for this word is uncertain.